Home | Email | Route | English    Verleden maand: 42 woningen nieuw op de site  
 
GROOTSTE VERHUUR MAKELAAR VAN NEDERLAND
 
huur - aanhuur - advies - huuradvies



Inloggen op Duinzigt Wonen voor bezoekers die reeds zijn ingeschreven.
E-mail adres:
Wachtwoord:

Zoeken
Minimum Prijs:
Maximum Prijs:
Min. Kamers:
Max. Personen:
 


  Samenwerking met:

All content © 2003-2017 Duinzigt b.v.
Hieronder vindt u een selectie van links die u misschien van pas komen:


  • Pararius.nl
  • Gouden gids.nl
  • Gemeente Den Haag
  • VVE Beheer Haaglanden
  • Woningtransfer
  • Jaap.nl
  • Wellness.nl
  • Link Paginas
  • Woning Pagina
  • Huislijn.nl
  • Woninghuren.com
  • Huurwoningen.nl
  • LinQ.nl
  • start.nu
  • Welcome-2-europe


  • ____________________________________________________________

    geschiedenis van Den Haag (1800-1970)

    HOOFDSTUK 1:
    De wording van modern Den Haag

    Auteur: dr. P.R.D. Stokvis
    Uitgeverij Waanders, cop. 1987
    304 pagina's

    1.1: Informatie over de schrijver

    De schrijver, dr. Stokvis, wil middels dit boek de ontwikkeling weergeven hoe Den Haag van een premoderne stad in een moderne stad veranderde. Hij probeert om uit al de beschikbare gegevens een ordentelijk verhaal te scheppen, of, om het in zijn woorden te zeggen, een melodie te creëren uit een chaotische verzameling noten. Bovendien probeert hij het ook nog eens neutraal te houden, dus zo min mogelijk subjectiviteit erin te verwerken. Ook houd hij het beperkt door vooral de algemene omstandigheden te beschrijven, en maar enkele details te noemen.

    1.2: samenvatting van het boek

    Het boek is verdeeld in 14 hoofdstukken, die ik in de volgende paragrafen afzonderlijk ga behandelen.

    1.2.1: Een moderne stad in wording

    In dit eerste, zeer korte hoofdstuk behandelt de schrijver zijn woord om de 100 jaar te beschrijven van de Franse Tijd tot aan de eerste wereldoorlog, namelijk: modernisme. Modernisme is het geheel van veranderingen in mechanisering, democratisering, commercialisering, enzovoorts.
    Naast de behandeling van dit woord schrijft hij ook hoe hij deze revolutionaire ontwikkeling heeft beschreven in de rest van dit boek, namelijk kort en bondig.

    1.2.2: De uitbreiding en modernisering van de stad

    In de inleiding wordt eerst een beeld geschetst van Den Haag aan het begin van de 19e eeuw. Het wordt door de Amerikaanse historicus Motley beschreven als een slapend dorp, een kleine, rustige hoofdstad, begraven in oude bossen. Maar 50 jaar later is er aanzienlijk veel veranderd: van een dorp is Den Haag veranderd in een van de snelst groeiende steden van Nederland, en is in een enorm rap tempo op de andere Europese Hoofdsteden gaan lijken.
    De rest van het hoofdstuk beschrijft voornamelijk de stadsuitbreiding, en de gevolgen die dit had voor andere zaken, als bijvoorbeeld verkeer, toename van taken van de gemeente, en andere.
    Ten eerste de stadsuitbreiding zelf: tot 1850 bleef uitbreiding van de stad beperkt tot de singels. Aangezien Den Haag de mazzel had nooit stadsmuren gehad te hebben, waren er geen echte problemen betreffende uitbreiding toen dat noodzakelijk was. Met de uitbreiding werden huizen aangelegd met meerdere verdiepingen, en ook vooral veel groen. De toename van buitenwijken zorgden voor nog een ontwikkeling: cityvorming. Tot 1890 bleef de binnenstad nog wel bewoond, zij het dat het bevolkingsaantal afnam, maar na 1890 waren de huren en grondprijzen dusdanig gestegen, dat er enkelt bedrijfvestigingen kwamen. Scheiding van woon en werk werd mogelijk door toename gebruik fiets en openbaar vervoer.
    Deze toename zorgde ervoor dat het verkeer ook veranderde, van paarden naar fietsen naar trams en auto's, zodat de gemeente hier maatregelen tegen moest treffen door middel van onder andere de plaatsing van trottoirs, en demping van grachten. Ook het aantal urinoirs werd uitgebreid, om een alternatief te bieden voor gevels en bomen. Voorstellen van de gemeente om Den Haag qua infrastructuur te verbeteren waren: Den Haag een zeehaven geven, en ook de Nederlandse primeur van de paardetram.
    Verkeer bleef rustig in Den Haag tot na 1900, toen pas begon het geleidelijk toe te nemen.
    De openbare orde werd in stand gehouden door eerst wakers in te stellen en bij rellen het garnizoen in te roepen. In 1888 werd het gereorganiseerd tot een soort van politieapparaat met wijkagenten.
    Brandweer was tot 1906 op vrijwillige basis, pas na de brand in het Kurhaus werd een professionele brandweer ingesteld.
    Openbare nutsbedrijven werden pas echt op gang gezet vanuit de gemeente zelf na enkele epidemieën, waaronder een cholera-epidemie van 1866 en een pokkenepidemie van 1871. Pas toen kwam er een georganiseerde gemeentereiniging op gang, en in 1873 kwam er een waterleiding, na enkele jaren terughoudendheid, omdat hiervoor een lening vereist was. Dit was een van de eerste leningen, pas veel later kreeg de gemeente echt de smaak te pakken wat lenen betreft. Ook een riolering werd aangelegd, en nutsbedrijven die het leven makkelijker maakten.

    1.2.3: Stedenbouw en volkshuisvesting

    Tot 1859 was de rol van de gemeente bij de ruimtelijke ordening groot. Pas hierna gaf de gemeente toe aan de wensen van de liberale ondernemers voor meer deregulering, door minder strenge regels toe te passen. Ook werden bouwplannen meer naar winstgevendheid beoordeeld, dan naar veiligheid of schoonheid, wat vooral kwam door belangenverstrengelingen: een groot deel van de gemeenteraad was zelf bouwgrondondernemer of vennoot.
    Sinds 1890 probeerde de gemeente weer greep te krijgen op de stadsuitbreiding. Middelen om dit te doen verkreeg de gemeente in 1901 door middel van de Woningwet. Deze wet gaf de gemeente de verantwoordelijkheid over de ruimtelijke ordening.
    Ook oefende de gemeente toezicht uit, eerst via de bouwcommissie, later werd die vervangen de bouwpolitie, die een actievere aanpak had.
    In Den Haag werden veel Hofjes gebouwd, als goedkope arbeiderswoningen, of als zijnde sociale woningen, waar ouden van dagen konden wonen.
    Dit zorgde voor een unieke eigenschap van Den Haag: het schijnbaar ontbreken van krottenwijken. Dit kwam door de huisvesting van armen in die hofjes, waar de armoede onttrokken was aan het oog. In geen enkele stad werden de armen zolang in hofjes gevestigd, alleen Gent is enigszins vergelijkbaar. In de hofjes bleven de woonomstandigheden tot aan de eerste wereldoorlog hetzelfde, dat wil zeggen, slecht. Toen in 1874 het 'rode gevaar' opkwam, werden de arbeiderswoningen kwalitatief verbeterd, uit angst voor eventuele revolutie onder het proletariaat.
    De redenen voor het lange voortbestaan van de hofjes zijn dat de gemeente geen krottenwijken wou die het stadsbeeld zouden verpesten, en, aangezien de hofjes in particuliere handen waren, de besparing op de kosten voor openbare voorziening.
    De middenstand ging na 1870 steeds meer in etagewoningen wonen, en na 1900 in portiekwoningen. In de 19e eeuw was het belangrijk voor arbeiders en middenstand om een huis te nemen waar privacy voor het gezin was, dat wil zeggen, een woning voor een gezin dat ze niet hoefden te delen met een ander gezin. Pas na 1916 werd niet alleen privacy voor het gezin belangrijk, maar moesten er ook mogelijkheden zijn voor individuele afzondering in de huizen.

    1.2.4: Bouwstijlen en bouwkundige vernieuwingen

    Den Haag is al tijden een van de mooiste steden ter wereld geweest, eerst meer een groot dorp, maar later een kosmopolitische hoofdstad. Den Haag kreeg zelfs het grote compliment een 'onhollandse' stad te zijn.
    Tot 1840 was er in Den Haag, in tegenstelling tot de rest van Nederland, een neoclassicistische bouwstijl.
    Men koos voor orde en soberheid, in plaats van het kleurige, vormloze samenraapsel van huizen wat in de rest van Nederland populair was. Na 1840 nam het Neoclassicisme plaats voor een vermenging van historische stijlen, waaronder neogotiek, die vooral werd gehanteerd door koning Willem 2, die hierin een geromantiseerd beeld zag van feodale en monarchale orde. Hier kwam echter al in 1870 meer eenheid in bouwstijl voor in de plaats. Tot 1900 hadden al de stromingen een klassieke grondslag. Hier kwam rond 1900 verandering in, door het inbrengen van moderne, internationale bouwstijlen. De architect Berlage, en de Nieuwe Kunst-architecten maakten zeer veel gebruik van nieuwe materialen zoals beton, glas en metaal, en wilden hiermee kunstzinnige resultaten bereiken, die ook geaccepteerd werden door de moderne, modebewuste middenstand. In die 100 jaar tijd veranderde het stadsbeeld aanzienlijk.

    1.2.5: Den Haag, ambtenarenstad?

    Vaak wordt de groei van Den Haag toegewezen aan het feit dat Den Haag de regeringsstad is, en door alle banen die daarbij hoorden, zoals het ambtenarenapparaat. Rond 1819 was dit gedeeltelijk zo, Handel en nijverheid waren toen niet geheel tot ontwikkeling gekomen, door de hoge kosten van handenarbeid en grond. Op enkele bierbrouwerijen en nog een paar fabrieken ontbrak industrie ook voor een groot deel. Het stond toen vooral bekend als regeringsstad dus, en als woonplaats van de rijken. Ook het gemeentebestuur was van mening dat Den Haag vooral een ambtenarenstad was. Maar rond 1860-1870 verschenen ook studies die Den Haag een stad noemden met veel handel en nijverheid.
    De schrijver wil door middel van '3 wegen te behandelen' kijken of het beeld van Den Haag als ambtenarenstad met de feiten overeenstemt.
    Ten eerste de werkgelegenheid gemeten aan de beroepsbevolking.
    De beroepsbevolking op zichzelf is relatief klein, door het groot aantal renteniers, grondeigenaren, en gepensioneerden. In 1811 werkten de meeste Hagenaars in de nijverheid, gevolgd door handel, verkeer en diensten, en als laatste de landbouw en vooral de visserij.
    Door de jaren heen werd het percentage actieven groter, en kwam er een enorme toename in de huisnijverheid. Ook in verdere jaren bleef het aandeel van de nijverheid als geheel zeer hoog, hoewel het wel terugnam na 1900. De overheidsdiensten namen na 1900 niet of nauwelijks meer toe, wel andere dienstverlening. Conclusie is dat Den Haag zeer lang een nijverheidsstad was.
    Ten tweede wordt Den Haag vergeleken met Amsterdam en Rotterdam.
    Rond 1811 was Den Haag een nijverheidsstad, Amsterdam vooral een handel en verkeersstad, en Rotterdam vooral een verkeersstad met de daarbij horende bedrijven. Rotterdam en Den Haag hebben wel een vergelijkbare hoeveelheid nijverheid, alleen de samenstelling is in beide steden anders, omdat Rotterdam vooral nijverheid heeft die indirect verbonden is met de handel en het verkeer.
    Rond 1890 hadden Den Haag een ongeveer gelijke hoeveelheid mensen werkzaam in de handel, maar Rotterdam had weer meer mensen in verkeer, Amsterdam en Den Haag achterlatende.
    Rond 1900 was de voornaamste bron van inkomsten de handel en het bankwezen in Den Haag. Den Haag stond toen bekend als beleggersstad, Amsterdam was om te speculeren.
    Later was de verdeling van de economische functies dat Rotterdam het overgrote deel van de verkeersfunctie had, Amsterdam had een handels en financiële functie. Den Haag was niet zomaar een bestuurscentrum, het was veel meer. Het had een goed opgeleide, trendgevoelige, welgestelde bevolking, die zich hier vestigde vanwege onder andere redelijke lage grondkosten (nl. zandgrond, waar dus ook de vergelijking tussen het "zand" en het "veen" vandaan komt.),en relatief lage belastingen. Den Haag had vooral een gemengde economie, met mensen werkzaam in handel, nijverheid, verkeer en meer.
    Ten derde behandelt de schrijver de modernisering van het economisch leven. Na de modernisering van de infrastructuur verplaatste de Haagse industrie naar goedkopere vestigingsplaatsen, dat wil zeggen, met goedkopere arbeiders. Uit Den Haag waren wel de meeste grootondernemers afkomstig.
    Hiervan geeft de schrijver het voorbeeld van de Haagse Joodse ondernemersfamilie Enthoven.

    1.2.6: Arbeidsomstandigheden en arbeidersbestaan

    De arbeidsomstandigheden veranderden door de mechanisatie en industrialisatie. Om te zien hoe ze veranderen, maakt de schrijver gebruik van voornamelijk bronnen van de overheid, uit rapporten over klachten enzovoorts. Hij geeft vooraf dan ook de waarschuwing dat dit misschien een vertekend beeld geeft. Hij behandelt de arbeidsomstandigheden naar verschillende bedrijfstakken.
    In de ambachtelijke beroepen kregen de thuiswerkers het slechter, maar de andere beroepen gingen er in het algemeen op vooruit.
    In het ambacht waren lange dagen normaal, en er was geen sociale zekerheid. Blijkbaar was het loon van 1 kostwinnaar niet genoeg, want kinder- en vrouwenarbeid kwam veelvuldig voor.
    Bij de visserij waren er wel andere arbeidsomstandigheden, door de seizoensarbeid, (in de winter visten ze niet). De schrijver geeft een voorbeeld van het leven op een bomschuit, door een beschrijving van zo'n visser zelf, en door een rapport van een commissie. Het was krap op zo'n boot, maar de omstandigheden zelf vielen wel mee. Althans, volgens de commissie.
    Omdat de mannen zo lang weg waren moesten de vrouwen ook werken om in het onderhoud te kunnen voorzien. Meestal maakten ze netten, en dat in barre omstandigheden. Kinderen werden naar een soort crèche gestuurd.
    Niet alleen vissersvrouwen werkten, Haagse vrouwen, en kinderen, werkten ook, vooral in fabrieken. Voor een arbeidersgezin in de 19e eeuw waren de arbeids- en levensomstandigheden hetzelfde als in de rest van de wereld, namelijk zwevend rond het bestaansminimum, zich enkel staande kunnen houden door hun kinderen te laten arbeiden, en bezittingen naar een pandjeshuis te sturen.

    1.2.7: Demografische ontwikkelingen en patronen

    Zoals al eerder is beschreven in deze samenvatting, was Den Haag een snel groeiende stad in de 19e eeuw.
    In dit hoofdstuk wil de schrijver die bevolkingsgroei ontleden in migratieoverschot of -tekort, geboortenoverschot of -tekort, en het sterfteoverschot of -tekort, oftewel de demografische aspecten van de bevolkingsgroei.
    Kenmerkend voor een stad is een vrouwenoverschot. Den Haag was geen uitzondering, het aantal vrouwen per 1000 mannen lag rond de 1200. Een oorzaak hiervan was de trek van dienstboden, die meestal vrouwelijk waren, naar de stad. Een andere oorzaak is dat vrouwen langer leefden dan mannen deden.
    Het aantal jongeren was, in vergelijking met het landelijke gemiddelde, laag. Dit kwam deels door een immigratieoverschot van jongeren, en deels door beperking van het kindertal. Hierin was Den Haag zijn tijd vooruit in vergelijking met de rest van Nederland: terwijl de rest van Nederland nog tegen de klippen op liep te fokken, was er in Den Haag al sprake van een moderne ontwikkeling omtrent kinderen nemen.
    De bevolkingsgroei in Den Haag was enorm. Vooral na 1890 nam het aantal inwoners zeer snel toe. Hoewel het niet zo snel groeide als de Rotterdamse, scheelde het niet veel. Na 1900 nam de bevolkingsgroei zelfs het meest toe in vergelijking met de 2 andere grote steden. De bevolkingsgroei van Nederland op zich was bij lange na niet zo groot, en aangezien Den Haag een relatief laag geboortenoverschot had, is het grootste deel van de Haagse inwonersgroei te danken aan het vestigingsoverschot.
    Het sterftecijfer schommelde veel in de jaren van 1800 tot 1890, met een grote daling rond 1895, wat mede het gevolg was van een daling van de graanprijzen. Over het algemeen genomen daalden de sterftecijfers geleidelijk.
    In vergelijking met overige sterfgevallen was de zuigelingensterfte in Hofjes wel groot. Toen de oorzaak daarvan was aangewezen werd er wat aan gedaan om het sterftecijfer terug te dringen, onder andere door instelling van zuigelingenzorg en de Nederlandse primeur van een consultatie bureau voor zuigelingen.
    Het aantal sterfgevallen in een jaar, verdeeld over de maanden vertoonde een piek in de wintermaanden en in augustus (Omdat in augustus de weersomstandigheden ideaal waren voor virale infecties, en door waterschaarste en voedselbederf.).
    Sterfte naar doodsoorzaak bleef redelijk stabiel, dat wil zeggen dat er weinig veranderingen kwamen in de oorzaak van sterfgevallen. Het aantal sterfgevallen door ziektes was hoog.
    De vruchtbaarheid van gehuwden nam door de jaren toe, mogelijk door meer optimisme en terugdringen van ziektes en algemene verbetering van de levensomstandigheden. Dit resulteerde dus in meer kinderen. Het aantal onwettige kinderen was laag, door de vele abortussen die werden uitgevoerd. Later in de eeuw kwamen ook voorbehoedsmiddelen meer in zwang, waardoor dus het eerder genoemde lage geboortenoverschot mee bereikt werd.

    1.2.8: Huwelijk en seksualiteit

    Tussen 1780 en 1825 nam het aantal buitenechtelijke kinderen sterk toe. Deels kwam dit door de prostitutie, maar het aantal ongehuwde moeders op zich nam ook sterk toe. Dat grote aantal ongehuwde moeders kan verklaard worden door vrouwen, die, in de verwachting dat hun verkering zal uitlopen in een huwelijk wat te vroeg van bil waren gegaan en daarna aan de kant werden gezet. Dit aan de kant zetten was mogelijk door een ondermijning van de oude vormen van gezag en sociale controle, zoals bijvoorbeeld de kerk die niet genoeg wereldlijke steun kreeg van de bevolking voor haar opvattingen over monogamie, en dus mislukten hun plannen om voor een bestendiger relatie te zorgen.
    Na 1850 kwam het Victoriaanse tijdperk, met de voor die periode kenmerkende preutsheid. Pas na 1890 begon dit pas echt alles beheersend te worden, hoewel het vooral beperkt bleef tot de burgervrouwen. De burgerheren waren rijk genoeg om een bezoek aan de prostitutie te kunnen veroorloven, en omdat ze daar ook allerlei geslachtsziekten opliepen, was dat ook de enigste plek waar ze hun gerief konden krijgen, omdat hun vrouwen geen ziektes wilden oplopen. Bij de arbeiders was de preutsheid niet aanwezig, zoals de blauwe boekjes (schandaalbladen) te kennen gaven. Er was veel buitenechtelijk verkeer, en dat in vele variëteiten, tot aan het perverse toe.
    In de loop der jaren deed de gemeente wel wat aan de prostitutie, want het aantal geslachtsziekten begon enorm uit de hand te lopen.
    De gemeente reglementeerde bijvoorbeeld de prostitutie, iets wat werd nagevolgd door vele andere gemeenten. Dit werkte nauwelijks, al ging de rijke burgerij minder naar de hoeren, omdat ze bang werden voor de geslachtsziekten en om afgeperst te worden, wat mogelijk werd door de zedelijkheidswet.
    Bordelen werden verboden, maar voor dat dat verboden was verplaatste de bordelen zich al naar wat onbekendere plaatsen, zodat alles in het geniep kon gebeuren.

    1.2.9: Sociale ongelijkheid

    Al op school was er sociale ongelijkheid, met een verdeling tussen kinderen wiens ouders te arm waren om ook maar iets te betalen, kinderen wiens ouders een gedeelte betaalden, en de kinderen van rijke lui die alles betaalden. Onderling was er spot tussen de kinderen, in de vorm van een pikorde van kinderen die op andere kinderen neerkeken. Arm en welgesteld speelden niet samen uit angst voor ziektes, of omdat de ouders dat niet toestonden.
    Er was een sterke onderverdeling in de klassen, allemaal met hun eigen gewoontes. Iedereen probeerde zoveel mogelijk de schijn hoog te houden door boven hun stand te leven, of dat tenminste zo lieten overkomen, om niet als arm te worden gekenmerkt.
    In Den Haag werd de hogere klasse in verband gebracht met de hofhuishouding, en de regering. De verdeling zelf was die van een normale stad: hoog percentage arbeiders, klein percentage middenstand, kleiner percentage rijken, hoewel de rijken hier toch een groter percentage vormden dan in de andere grote steden.
    Deze sociale gelaagdheid veranderde nauwelijks gedurende de 19e eeuw.
    De verdeling van de klassen over de stad zelf was betrekkelijk simpel in de 19e eeuw, de stad was onderverdeeld in 4 kwartieren, met een scheidslijn tussen noord en zuid die de armen van de rijken scheidde. De 4 kwartieren waren niet precies te omschrijven als een typische middenstandswijk, of een typische armenwijk, omdat er veel vermenging was. Ook was de stad te klein om echt van dat soort wijken te huisvesten. Er was ook een vermenging van autochtoon en allochtoon, de meest besloten wijk was de jodenwijk, en zelfs daar leefden 40% niet-joden.
    Pas toen er buiten de singels werd gebouwd, toen Den Haag begon te groeien tijdens de industrialisatie, begonnen er echte arbeiderswijken te ontstaan.

    1.2.10: Aspecten van het huiselijk leven en het maatschappelijk verkeer

    De woningen van de Haagse bevolking, en de inventaris daarvan, verschilden per klasse. Deze uitermate logische verschillen zijn makkelijk aan te duiden: lagere klassen hadden extreem weinig bezittingen en waren slecht behuisd, en de hogere klassen hadden meer spullen en betere woningen. Om een enigszins meer helder beeld te geven van hoe de verschillen konden zijn: de inventaris van iemand uit de lagere klasse had een waarde van rond de 20 gulden; terwijl mensen uit de hogere klasse soms een inventaris hadden van een waarde van 26000 gulden. Naarmate de 19e eeuw verstreek, werden de huizen, vooral van de beter gesitueerden, moderner, iets wat ook logisch geacht mag zijn. Die verbeteringen waren onder andere een waterleiding, gasaansluiting, riolering, badkamers. Let wel: deze veranderingen waren zeker geen gemeengoed tot aan 1900.
    De veranderingen waren ook immaterieel. Een Haags burgergezin bestond uit een strenge vader met een neiging tot afzondering, een moeder wiens hoogste doel in het leven haar man dienen was en als praatpaal fungeerde voor de rest van het gezin, en de kinderen. Dit alles was wel hecht, er werden nauwelijks kinderen naar kostscholen gestuurd, en ze werden niet afgezonderd in aparte vertrekken. Er was veel huiselijkheid. In een arbeidersgezin was dit sowieso het geval, door de kleine behuizing. De rollen van vader en moeder waren minder nauw begrensd, een zieke vader hielp mee in het huishouden, en de vrouw werkte vaak ook. Wel was de man de baas.
    De veranderingen waar van gesproken werd, waren dat de formele toestand jegens kinderen in de loop van de 19e eeuw veranderde naar een min of meer liefdevol betrokken gedoe.
    In het dagelijks leven was er een terugkerend patroon: het eten. Dit is logisch omdat ze anders zouden verhongeren, maar de mensen toen, en vooral de wat rijkeren, hadden een wat extremere opvatting over het woord 'patroon'. De maaltijden waren zeer tijdgebonden, net als de overige activiteiten, die dan ook vaak met elkaar verbonden waren. Zoals bijvoorbeeld de wandeling over een winkelstraat na het diner, in het boek beschreven als zijnde een 'pantoffelparade'.
    Activiteiten van een dag bestonden uit 's avonds naar de opera of schouwburg, en overdag gingen de mannen (en later de vrouwen) naar koffiehuizen of theesalons, en de vrouwen naar melkinrichtingen.
    Behalve koffiehuizen en theesalons was een ander populair trefpunt een sociëteit. Dit was eerst enkelt voor mensen van stand, maar later kregen verschillende groeperingen hun eigen sociëteit.
    In 1748 was de eerste van die sociëteiten opgericht, namelijk de Club de la Haye, die voor patriciërs en adel was.
    De deftige burgerij had 'De Witte', die ook internationaal hoog aangezien was. De middenstand hadden ook hun eigen sociëteiten, omdat die buitengesloten waren van de deftige sociëteiten, en vele andere groeperingen hadden ook hun eigen sociëteit.
    Het hofleven was dodelijk saai in het begin van de 19e eeuw, en het had vele irritante trekjes om te pronken met de positie. Het was vreselijk stijf, en in de koninklijke familie zelf barstte het van de excentriekelingen. De aristocratie leek veel op de schotse: de families vormden clans, en er was rivaliteit tussen de groepen onderling, en ook tussen de hoofdstad Amsterdam, en de residentie en regeringsstad Den Haag.
    In tegenstelling tot veranderende klassen, als de arbeiders, en gedeeltelijke burgerkringen, waren de aristocraten aartsconservatief, en leken aan het begin van de eerste wereld oorlog zeer veel op Engelsen uit het Victoriaanse tijdperk.

    1.2.11: Arbeiders en kantoorbedienden in beweging

    Na 1870 begon het socialisme en het communisme in populariteit te winnen bij de Haagse arbeiders.
    Al vroeg in de 19e eeuw roerde het bij de arbeiders. Er is een ruzie bekend
    tussen reders en vissers in 1819 die zo hevig was dat het leger nodig was om weer orde te scheppen.
    In 1848, het revolutiejaar, werd koning Willem 2 in een nacht liberaal, tot vreugde van liberalen en proletariërs.
    De revolutieangst bleef sinds 1848 bij de conservatieven echter, die bang waren dat democratie leidde tot communisme, en na 1871, tijdens commune opstanden in Parijs tijdens de Frans-Duitse oorlog, werd die angst heviger, ook omdat in Den Haag een vestiging kwam van de Eerste Internationale, een communistische organisatie.
    Hierop probeerden velen het arbeidersvraagstuk op te lossen om te voorkomen dat de bom zou barsten.
    Deze angst bleek ongegrond, want het communisme kreeg in de jaren 70 geen vaste bodem. Wel was er een toenemende vraag naar socialisme, en vakbondsbewegingen groeiden in aanhang na 1880, wat ook samenhing met de toenemende industrialisatie.
    Rond 1887 kwamen er steeds meer socialisten, en de extremere socialisten begonnen ook met hun eigen vereniging, zelfs Haagse anarchisten hadden er een. Al met al broeide het in Den Haag.
    De Haagse afdeling van de Sociaal Democratische Bond begon door de jaren heen ook anarchistischer te worden, en de Haagse bevolking zelf werd ook meer extreem socialistisch. De S.D.A.P. kreeg, met haar opvatting om op een vredige, parlementaire wijze de socialistische heilstaat te bereiken, weinig aanhang in Den Haag. Rond 1897 werd er zelfs een revolutionaire stemming geconstateerd onder de Haagse arbeiders.
    Arbeiders waren niet de enige groep werknemers die zich in socialistisch verband organiseerden, ook de zogenaamde 'witte boorden', ambtenaren en kantoorbedienden, begonnen zich te organiseren, wat beter georganiseerd was dan de arbeidersverenigingen, en ook een aanzienlijk stuk milder, mede omdat ze het niet zo slecht hadden.

    1.2.12: Verzuiling tegen 'ongeloof en revolutie'

    De tweestrijd tussen de 2 voornaamste geloofsstromingen, het protestantisme en het katholicisme, bleef doorgaan totdat zij beseften dat het beter was om de 'vijand', d.w.z. de liberalen en socialisten, gezamenlijk te bestrijden. Maar dit duurde nog enige tijd: in het begin was er vooral vijandigheid tussen de protestanten en de katholieke minderheid, en ook tussen hen en de talloze splintergroeperingen. Aan het begin van de 19e eeuw was 63% van de Haagse bevolking protestant, en 26% katholiek.
    Het aantal protestanten nam tot 1899 geleidelijk af, en er was een scherpe daling na 1899. Deze daling kwam voor een klein gedeelte de katholieken ten goede, die dan ook redelijk stabiel bleven in de 19e eeuw. Het percentage van mensen zonder geloof vertoonde een duidelijke stijging na 1899, waar dan ook het merendeel van de protestanten gebleven moet zijn. Ook het percentage gereformeerden nam relatief gezien sterk toe, van 0.3% in 1849, naar 8% in 1909.
    Aangezien katholieken een minderheid vormden, moesten zij hun gelovigen goed aan zich binden, door middel van allerlei broedschappen en andere verenigingen op te richten, om maar vooral de reusachtige verschillen tussen katholicisme en protestantisme erin te stampen, en te benadrukken dat die enorme verschillen ertoe leidden dat omgang met een protestant een direct pad naar de hel was. Hervormden hadden ook hun eigen verenigingsleven, zij het minder strak uigevoerd.
    De drang om zoveel mensen gods woord op te dringen openbaarde zich onder andere in een eigen onafhankelijke armenzorg. Dit omdat de kerk het nodig vond om behalve armen in materieel opzicht te helpen, zoals de gemeente deed, ze ook op een andere manier te helpen, namelijk door hun hoofd vol te spuiten met hun versie van de Waarheid. Maar de armen waren niet de enigen die zij konden indoctrineren, de meest makkelijke groep die zij naar hun hand konden zetten was natuurlijk de jeugd. Door de schoolwet van 1878 kwam er natuurlijk veel verzet van de kerk, omdat zij nou niet meer op zo'n makkelijke manier zieltjes konden winnen. Dit vormde aanleiding tot de schoolstrijd, die gek genoeg niet behandeld wordt in dit hoofdstuk.
    Een andere groep die ook veel aandacht kreeg, wegens omvang en het feit dat ze makkelijk beïnvloedbaar waren, was de arbeidersklasse. Niet alleen kerkelijke verenigingen vochten hierom, ook andere, vooral arbeidersbelangenvertegenwoordigers. Een voorbeeld van die laatste was de S.D.B.. Als antwoord hierop had de kerk het R.K. Volksfront, de K.S.A, en het C.N.W..
    Al deze pogingen tot 'klantenbinding' leidden tot de verzuiling.

    1.2.13: gemeentebestuur: een elitair bedrijf?

    Aan het begin van de 19e eeuw had de adel in theorie geen macht meer door de invoering van censuskiesrecht, maar in de praktijk wel. Wel was de macht niet meer beperkt tot de adel, maar ook tot de gegoede burgerij. Er waren geen socialisten, omdat bijna geeneen rijkere sociale denkbeelden had.
    En zelfs die macht was beperkt: enkelt het kiescollege waar elk jaar een derde van werd gekozen. De 4 burgemeesters en 24 andere raadsleden werden voor het leven benoemd door de koning.
    Pas na Thorbecke's gemeentewet van 1851werd de gekozen raad aan het hoofd van de gemeente geplaatst. Door allerlei regeltjes waren er om het jaar verkiezingen.
    Na 1900 nam het aantal ambtenaren enorm toe, vooral tijdens de eerste wereldoorlog, omdat toen meer overheidsregulering nodig was.
    Vooral in de 19e, maar ook in het begin van de 20e eeuw waren er nog primitieve omstandigheden wat betreft het bekleden van functies. Het was voornamelijk de adel, of mensen met een pas verworven academische titel, die de hogere posten kregen binnen het ambtenarenapparaat. Vaak tot frustratie van een ambtenaar met een lange staat van dienst, die maar al te vaak moest toekijken terwijl een hogere functie in beslag werd genomen door een jonge academicus.
    Het groter worden van het ambtenarenapparaat door de toenemende overheidstaken kostte veel geld, iets wat de belastingbetaler niet wou betalen, dus moest de gemeente ook lenen. De schuld nam daardoor na 1900 snel toe.
    De opkomst voor gemeenteraadsverkiezingen was gedurende de hele 19e eeuw redelijk laag. Pas hierna begonnen er echte politieke tegenstellingen te ontstaan, en pas na 1917 begon de opkomst te stijgen.
    Dit algemeen kiesrecht zorgde voor de opkomst van andere partijen, zoals de S.D.A.P. En al sinds 1889 begon het aandeel van de adel af te nemen.
    Dit doordat de politiek steeds meer een serieuze aangelegenheid werd, in plaats van een liefhebberij of een roeping.
    Doordat Den Haag veranderde in een kosmopolitische stad, kwamen er ook steeds meer mensen van buiten de Residentie naar Den Haag in de gemeenteraad.
    Veel mensen in de raad waren familie van elkaar.

    1.2.14: van premodern naar modern Den Haag

    In dit hoofdstuk komen 2 stadsbeelden aan bod: een van Den Haag aan het begin van de 19e eeuw, en een van 1910. Deze twee stadsbeelden geven een goed beeld van het totaal van de veranderingen. Eigenlijk is het gewoon een beknopte samenvatting van de rest van het boek.
    Eerst was Den Haag een dorp, met vrijwillige brandweer, en een legioen wat daar gelegerd was. De gemeente had weinig invloed op het reilen en zeilen van Den Haag, wat vooral een nijverheidsstadje was, en een woonplaats voor welgestelden. De groei, in zowel demografisch als economisch opzicht was matig. De adel had een grote invloed in de politiek.
    In minder dan 100 jaar tijd wist Den Haag te veranderen van dat net geschetste dorp in een metropool, een wereldstad, een van de meest snel groeiende steden van Nederland, met grote en mooie gebouwen, veel meer invloed van de overheid, een enorm ambtenarenapparaat, wat het het centrum van Nederland maakt. Amsterdam mag dromen wat het wil, maar er is maar een hoofdstad en residentie, en dat is Den Haag. En hoewel het de derde stad van Nederland is, is het dat in een verschrikkelijk tempo geworden, het teert niet op successen uit de gouden eeuw, zoals Amsterdam, wat enkel en alleen zo groot is, omdat het al zo lang bezig was groter te worden, en ook is Den Haag niet zo snel gegroeid omdat het toevallig aan de monding van de Rijn was geplaatst, zoals Rotterdam, wat dankzij de industrialisatie kon doorvoeren naar Duitsland.
    Aan het begin van de 20e eeuw was Den Haag een moderne stad.

    1.3: Oordeel

    Het boek zat goed in elkaar. Het is duidelijk dat de schrijver veel studie heeft gedaan, wat te zien is aan de enorme hoeveelheid noten achter de hoofdstukken. Het is een ideaal studieboek voor mensen die precies willen weten hoe het moderniseringsproces in Den Haag liep, maar dat heeft ook z'n nadelen. Het is bijvoorbeeld bloedverschrikkelijk saai, het leest totaal niet prettig weg.
    En wat ook zo goed als totaal ontbrak was de cultuur van Den Haag. Dit werd enkel gebruikt als hulpstuk om een ontwikkeling in het stadsbeeld weer te geven. De titel is dan wel "De wording van modern Den Haag", waarmee hij duidelijk maakt dat het hem enkelt om de stad zelf gaat, maar door de cultuur weg te laten, of meer beschrijvingen van belangrijke personen vind ik dat hij een essentieel deel heeft weggelaten van die wording van modern Den Haag. Ook heeft de schrijver praktisch niets over de landelijke regering geschreven, wat toch gek is, aangezien de voornaamste functie van Den Haag toch nog altijd regeringsstad is geweest.
    Nog een nadeel is dat hij niet alle tabellen en/of grafieken van genoeg informatie voorzag, en soms vond ik dat hij iets te voorbarige conclusies trok uit informatie. En er werd zeer weinig over Scheveningen geschreven.
    Maar voor de rest geeft de schrijver een accuraat beeld weer van het moderniseringsproces van Den Haag, iets wat volgens de schrijver weinig anderen hebben gedaan. En hoewel het wetenschappelijk geschreven is, is het niet zo irritant als de semi-populaire schrijfstijl die vele andere schrijvers nuttigen. Het is een gedetailleerd boek, met veel informatie (zij het puur beperkt tot de stad zelf) en het weet een interessante periode uit de Haagse geschiedenis goed weer, al is het, zoals ik al zei, Saai, en is makkelijk te gebruiken als studieboek.

    Hoofdstuk 2:
    Ach lieve tijd, 750 jaar Den Haag en de Hagenaars

    Auteurs: verscheidene
    Uitgeverij Waanders, cop. 1984/1985
    379 pagina's

    2.1: informatie over het boek

    Het boek is een verzameling tijdschriften over de geschiedenis van Den Haag de afgelopen 750 jaar, en heeft zeer veel verschillende samenstellers, die niet allemaal besproken kunnen worden.

    2.2: samenvatting

    Zoals al beschreven is in de inleiding, volgt nu een samenvatting over de periode 1900-1970, en pas daarna een vergelijking met het eerste boek van de eerste periode. Net als in het vorige hoofdstuk zal ik het boek per hoofdstuk behandelen.

    2.2.1: rijke verleden

    In het begin van de 20e eeuw was Den Haag al een grote stad, en een waar veel rijkeren woonden. Centraal in dit (deel van het) hoofdstuk staan de plannen van Den Haag met Scheveningen. Eerst werd de bereikbaarheid naar Scheveningen verbeterd, zodat het behalve een vissersplaats ook meer een badplaats werd. Om het ook een populaire badplaats te maken, werd besloten om een pier te bouwen. Hier protesteerden de vissers tegen, omdat zij bang waren dat hun boten ertegen te pletter zouden staan. Pas na de aanleg van een haven werd de pier gebouwd.
    Tijdens de crisis jaren kwamen vele indiegangers hier om zich tijdelijk of permanent te vestigen. Op een gegeven moment waren hier rond de 25000 indiegangers, die ook hun eigen sociëteiten oprichten om samen te hokken, net zoals de elite de 'Witte' had.
    Na deze crisisjaren begon de tweede wereldoorlog, dat desastreuze gevolgen had voor de stad en de inwoners. Zo stierf 90% van de Haagse joden, en was een groot deel van de stad verwoest door bombardementen en de plaatsing van de Atlantik Wall.
    Na WO II werd er begonnen met renovatie, en nieuwbouw.

    2.2.2: reislust

    Na de tweede helft van de 19e eeuw begon het verkeer in Den Haag steeds meer te moderniseren.
    Bijvoorbeeld door de komst van de trein: in 1870 had Den Haag een aansluiting op het Europese spoorwegnet. De twee spoorbanen die dit mogelijk maakten vormen nu nog steeds het meest essentiële deel van het spoorwegstelsel. Met trams had Den Haag twee primeurs: die van de paardentram, en die van de interlokale tram. Dit was niet geheel zonder problemen; er was een directeur die zijn passagiers sloeg met een zweep toen ze onstuimig de tram bestormden, en er werd gewerkt met slecht opgeleid personeel en zwakke paarden. Pas na een overname door een Belgisch bedrijf verminderde de problemen.
    Hierna volgden de stoomtram en daarna de elektrische. Ook het andere verkeer veranderde, er kwamen fietsen, auto's, en ook autobussen.
    Toen de bus voor het eerst opkwam, was hij uitermate populair onder ondernemers, omdat zij zich met zo'n bus niet aan regels hoefden te houden, omdat die er nog niet waren, en dus met die bussen klanten konden oppikken bij tramhaltes. Pas in 1927 kwam er een eind aan deze 'Wilde bussen' door het verplichten van een vergunning om een bus te mogen rijden. Dit kwam er op neer dat enkelt de HTM nog mocht rijden in Den Haag.

    2.2.3: gezondheid

    In dit hoofdstuk staat weinig over de gezondheidszorg in de 20e eeuw, maar aangenomen mag worden dat aan het begin van deze eeuw het moderniseringsproces op gang kwam wat zich nu nog steeds op die lijn aan het moderniseren is. Een begin was toen de oprichting van de Volharding, wat in 1892 een collectief ziekenfonds voor arbeiders creëerde. Dit omvatte vele taken, wat tot doel had dat de ziekenfondspatienten een even goede verzorging kreeg als de particulier verzekerden. In de loop van de tijd moest de Volharding, of Azivo zoals het later werd omgedoopt, veel van die taken, zoals een eigen artsendienst en ziekenhuis, laten vallen.

    2.2.4: stadsbestuur

    Voor dit hoofdstuk gaat hetzelfde op als het vorige: er wordt weinig geschreven over de periode na 1900. Dit waarschijnlijk omdat het boek meer algemeen gaat over een periode van 750 jaar.
    Tijdens de tweede wereldoorlog gingen de raadsvergaderingen gewoon door, hoewel bij de eerste ontbrak een joods raadslid, die zelfmoord had gepleegd. De burgemeester, De Monchy, werd later ontslagen in verband met 'Anjerdag', toen de Haagse bevolking zich allemaal in het oranje kleedden en met een anjer opgeprikt bloemen legden bij paleis Noordeinde.
    In 1941 werd elk raadslid vervangen door NSB'ers.
    In 1946 kwam burgemeester De Monchy terug. Hierna zette de democratie zich weer voort, met als hoogtepunt de jaren 60 en 70, met partijen als de Kabouterpartij.

    2.2.5: de zee

    Het strand van Scheveningen werd pas echt een badplaats toen de Scheveningse vissers een haven kregen, al had die z'n onvolkomenheden. Wel bleef het dorp zelf een echt vissersdorp, waar het leven dan ook hard was, in tegenstelling tot het leven van de badgasten die naar Scheveningen gingen om te pierewaaien. Het ging na 1900 weliswaar beter met de visserij, maar ze hadden het zeer zwaar tijdens de eerste wereldoorlog. Toen het hierna weer beter ging met de visserij brak er een staking uit onder de vissers, omdat ze de lage lonen onterecht vonden, en ze ook meer rust wilden hebben. Uiteindelijk gaven de reders grotendeels toe.
    Scheveningen als badplaats bleef populairder worden. Dit leidde tot de bouw van een badhuis, eerst een houten door Jacob Pronk, en toen badhuizen meer in zwang kwamen, omdat mensen dachten dat zeewater een heilzame werking had, verving hij het voor een stenen versie.
    Later werd op de plek van dit badhuis het Kurhaus gebouwd.
    Ook Scheveningen als badplaats zijnde had te leiden van WO I, door het wegblijven van buitenlandse gasten. En tijdens WO II was er helemaal geen badleven meer. Na deze oorlog was Scheveningen zo goed als verwoest, en Scheveningen als deftige badplaats zou nooit meer terug komen, het zou meer een plek voor massatoeristen worden. Al wat van de oude status restte was het Kurhaus.

    2.2.6: armenzorg

    Aan het begin van de 20e eeuw zag het stadsbestuur steeds meer de noodzaak in om armoede te bestrijden, in plaats van enkel steun te bieden, zoals de gemeente voorheen deed, of steun bieden met de bonus van Christelijke indoctrinatie, zoals de kerk deed. Dit resulteerde in allerlei sociale voorzieningen, die ervoor zorgden dat de armen niet langer afhankelijk waren van liefdadigheid.
    Maar tijdens de crisisjaren was er geen behelpen meer aan omdat de werkloosheid, en daarmee de armoede steeds meer toenam. Hierop voerde de gemeente voedseldistributie in, en stempelen om er zeker van te zijn dat steuntrekkers niet bijverdienden. Pas na WO II, toen de welvaart enorm toenam, begonnen de sociale voorzieningen toe te nemen, maar na de crisis in de jaren 70 is de armoede, al zij het minder erg, weer toegenomen.

    2.2.7: het hofleven

    Het hofleven was gedurende een groot deel van de 20e eeuw een saaie bedoening. Prins Hendrik, de echtgenoot van Wilhelmina, was populair onder het volk, hoewel hij zwaar onder de plak zat bij zijn vrouw.
    Maar toen in 1936 prinses Juliana zich ging verloven met Bernhard, vestigden zij zich in plaats van in Den Haag in paleis Soestdijk. Hier bleven zij, en pas in 1981 veranderde Den Haag van een 'Stad met lege paleizen' weer naar de koninklijke residentie.

    2.2.8: het vertier

    Vooral na 1900 begon sport als vertier steeds meer in populariteit te winnen.
    Het begon allemaal nogal amateuristisch: HVV, de voetbalclub die 4 keer op een rij de landtitel wist te winnen, had in de beginjaren nogal last van bepaalde problemen die nu niet meer denkbaar zijn. Zoals een voetbalwedstrijd die onderbroken werd door exercerende militairen, of een kudde schapen die tijdens het spel het veld begonnen af te grazen.
    In 1905 werd ADO opgericht, thans de beste club ter wereld, en ook andere sporten, zoals tennis en cricket werden steeds meer gespeeld, al soms onder een schuilnaam, omdat sport een slechte naam had. Andere soorten van volksvermaak werden steeds meer verdrongen door sport. De kermis, optochten, enzovoorts waren niet meer de massale volksfeesten die ze eerst waren.

    2.2.9: Nijverheid

    In het begin van de 20e eeuw was een groot deel van de Haagse bevolking werkzaam in de nijverheid. Een voorbeeld hiervan waren de bakkerijen. De Volharding had een eigen bakkerij, waarmee brood vooral werd gebakken voor de arbeiders. De Volharding had overigens een groot aandeel in de socialisatie van Den Haag, en heeft in belangrijke mate meegeholpen aan het welzijn van de Hagenaars. Het was een coöperatie van arbeiders onderling.
    Het welzijn van de arbeiders nam toe, ook dankzij verscheidene wetten, zoals bijvoorbeeld een wet die vrouwen en kinderen verbood langer als 11 uur te werken, en in 1900 de leerplichtwet.
    Het aandeel van de nijverheid in Den Haag nam af, Den Haag werd meer een witte boordenstad, dat wil zeggen, een stad met vooral ambtenaren, en hoger opgeleid personeel. Het bankwezen, verzekeringsconcerns, en oliemaatschappijen vestigden zich in Den Haag.

    2.2.10: de landsregering

    In het vorige hoofdstuk van de scriptie was er geen enkele sprake van de rol van de landsregering, maar dit hoofdstuk is een regelrechte aanfluiting wat landelijke politiek betreft. Er is, de bladvullende foto's niet meegerekend, nauwelijks een kantje geschreven over de eerste periode (1800-1900) en wat er al geschreven is, is voor het grootste deel algemeen bekend. En over de periode van na 1900 is helemaal weinig geschreven, waarschijnlijk beslaat het nog niet eens een kwart kantje. Er is grofweg genomen 4 keer zoveel geschreven over de moord op de gebroeders de Wit. Blijkbaar vinden de samenstellers een commercieel interessante gebeurtenis rond twee personen belangrijker als 80 jaar politieke gebeurtenissen in het geheel genomen.
    Om maar in dezelfde stijl van het boek te blijven: tussen de twee wereldoorlogen veranderde er weinig op politiek gebied, na WO II was er wederopbouw onder Drees, en sindsdien is er sprake van toenemende democratie. En dan hebben de schrijvers zelfs het lef om af te sluiten met de zin: "Den Haag en de landsregering, het zijn identieke begrippen geworden.", en dat terwijl ze die ontwikkeling afgedaan hebben met één luttele paragraaf.

    2.2.11: ziel en zaligheid

    De ontkerkelijking ging na 1900 gewoon door, en de Kerkelijke systemen begonnen steeds meer van hun macht te verliezen. De Haagse bevolking bleef echter geloven: er werden enkel steeds meer verschillende richtingen ingegaan. Zo had Den Haag in 1955 een van de eerste West-Europese moskeeën, en werden er allerlei verenigingen opgericht met als grondslag een of meerdere goden. Ook sektes kwamen er, zoals de Jehova's getuigen.
    Geloof heeft dus niet in populariteit ingeboet, het is enkelt meerdere kanten opgegaan.

    2.2.12: handel

    De handel in Den Haag was rond 1890 afhankelijk van de scheepsvaart in Den Haag, dat zich via de stadsgrachten verplaatste. Dit vooral omdat treinen nog niet overal konden komen, en de auto, laat staan vrachtwagens, er nog niet was. De handel nam sterk toe, en dat terwijl het aantal grachten afnam, omdat die werden gedempt wegens stankoverlast. Hierdoor besloot de gemeente tot de aanleg van de Laakhaven. Het eerste deel hiervan was in 1901 gereed, en dit vormde aanleg voor de gemeente om gelijk een hele reeks grachten te dempen.
    In Den Haag waren zeer veel winkels, waaronder ook heel veel chique winkels. Deze waren vroeger zeer klantvriendelijk, waar mensen zo goed als op elk momnet van de week konden kopen, en dit allemaal op rekening, die sommige liepen oplopen, om ze dan aan het eind van het jaar ineens te betalen. Dit verminderde wel in de loop der jaren.
    Warenhuizen kwamen er ook, zoals de Grand Bazar Royal in 1843, hoewel dit meer een voorloper was van een warenhuis. En in 1885 kwam er de passage. In 1906 kwam er een echt warenhuis, het Grand Bazar de la Paix, en in 1926 kwam er de Bijenkorf. Door de komst van deze kwamen de kleinere winkels in nood, maar op dit moment worden die juist weer populairder.
    Zoals al is aangegeven in 2.2.9: nijverheid, vestigden zich veel olie ondernemingen in Den Haag, wat het de bijnaam 'petroleumstad' gaf.

    2.2.13: onderwijs

    In 1872 was er voor het eerst in Den Haag een ambachtsschool opgericht. Dit voorbeeld leidde tot veel meer verschillende ambachtsscholen. Er was zelfs, als enige in Nederland, een Koloniale school voor meisjes en vrouwen, die leerlingen allerlei Indische omstandigheden, gewoontes, hoe om te gaan met ziektes en inlandse werknemers, leerden.
    Een belangrijk persoon die het onderwijs moderniseerde was de Haagse onderwijzer Gerard Jan Ligthart. Hij is nu nog bekend van zijn 'Ot en Sien' reeks. Hij heeft ervoor gezorgd dat de te leren stof niet enkelt theorie is, maar hij heeft die theorie in verband gebracht met een soort van practica.
    Gebaseerd op zijn theorieën werd een onderwijsmuseum opgericht, waar de jeugd ook allerlei zaken kon leren.
    Het aantal schoolsystemen nam na de eeuwwisseling toe, van Montessorionderwijs tot Daltononderwijs, en zelfs een vrije school, maar dit eindigde grotendeels na de Mammoetwet van 1968, toen het aantal mogelijke schoolrichtingen drastisch ingeperkt werd tot het nu nog gebruikte systeem van MAVO, HAVO, VWO, enzovoorts.

    2.2.14: het culturele leven

    Omdat er in het vorige hoofdstuk van de scriptie totaal geen sprake was van cultuur, behandel ik van dit boek de cultuur vanaf 1800. Dat is wel niet zo overzichtelijk, maar Den Haag is altijd een belangrijke cultuurstad geweest en dit is dus te belangrijk om weg te laten.
    In 1847 werd het schilderkundig genootschap Pulchri studio gevestigd in het Korenhuis. Dit groeide uit tot een belangrijke vereniging, op wiens bijeenkomsten zelfs leden van het koningshuis aanwezig waren. In deze vereniging waren ook veel schilders van de Haagse school, zoals Mesdag, Israëls, Mauve, enzovoorts. Deze schilders waren beroemd, en zijn nu internationaal nog beroemder. Mesdag is hier vooral bekend om zijn panorama Mesdag, dat hij had gemaakt, gedeeltelijk uit protest tegen het afgraven van de Seinpostduin. Dit werd goed ontvangen door de pers, en slecht door het publiek, zoals vaak het geval is bij kunst. Mesdag zelf was een verwoed kunstverzamelaar, een die een gevarieerde collectie schilderijen bezat. Deze collectie werd later in een museum in Den Haag tentoongesteld, net zoals collecties van andere verzamelaars, vooral die van de Stadhouders Willem 4 en 5. Bij de vlucht van Willem 5 naar Engeland werd zijn collectie geconfisceerd door de Fransen, en pas na 20 jaar gedeeltelijk teruggegeven.
    In 1866 werd er een museum opgericht die de verzameling van de gemeente tentoonstelde, wat later het huidige gemeentemuseum zou worden. In 1935 werd de collectie geplaatst in een gebouw aan de Stadhouderslaan, ontworpen door de Nieuwe Kunst architect Berlage.
    Den Haag was ook de woonplaats van vele schrijvers in de 19e eeuw, Couperus, Emants, Kloos, Bordewijk, en zelfs Multatuli hebben hier gewoond. Deze schrijvers kwamen bijeen in genootschappen, net als andere kunstenaars.
    Het Haags toneel ging succesvol, net als cabaret, wat in Scheveningen zeer goed vertegenwoordigd was met het Kurhauscabaret.
    Met de muziek ging het echter minder goed, het was zelfs ronduit baggerslecht tot de komst van het Residentie Orkest. Maar ook dit werd minder populair na de tweede wereldoorlog, toen Den Haag Beatstad nummer een werd, met bands als de Golden Earring, Q65, Shocking Blue, the Motions en the Haigs.
    En Den Haag heeft al jaren het Nederlands Dans theater, wat een van de beste balletgenootschappen van de wereld is.

    2.2.15: het stadsbeeld

    In 1901 werden de meeste grachten die nog niet gedempt waren, alsnog gedempt. Dit zorgde voor een verbetering van de Hygiëne, aangezien de riolen uitliepen op de grachten, en ook het verkeer kon zo beter geregeld worden. Deze demping van de grachten was niet het enigste vernieuwde aspect van het stadsbeeld: door de toenemende bevolking hadden architecten vrij spel. Vooral van Berlage is veel te vinden in Den Haag, zoals het al eerder genoemde gemeentemuseum, maar ook het Zuiderpark.
    Bij het aanleggen van nieuwe gebouwen en wijken werd er vooral aan gedacht om veel groen te planten. Door het grote aantal rijkeren dat Den Haag telde waren er ook veel duurdere huizen te vinden. Dit is een van de redenen waarom in Den Haag meer Jugendstil te vinden was dan in andere steden.
    Na de in het vorige hoofdstuk beschreven woningwet van 1901 werden de huizen van de armeren ook kwalitatief verbeterd.
    Maar de groei had ook nadelige effecten, zoals de sloop van vele oude huizen langs de hofvijver om het verkeer beter te kunnen laten rondgaan. Maar het had ook voordelen, namelijk het bijbrengen van wat stedelijke beschaving aan de halve boeren van Loosduinen, dat onder de hoede was genomen door Den Haag, om er wat ruimte bij te krijgen.
    De Tweede wereldoorlog heeft Den Haag niet veel goeds gebracht, namelijk de al eerder besproken bombardementen op Den Haag, en de plaatsing van de Atlantik Wall in Scheveningen. Na de oorlog werd er echter weer vrolijk gebouwd, totdat Den Haag zelfs een inwonertal had van 600.000. Hoewel dit aantal is afgenomen in de loop der jaren, moet de gemeente blijven uitbreiden, omdat er nu minder mensen per huis zijn dan 100 jaar geleden.

    2.3: Vergelijking van de stof (en Oordeel)

    Ook in dit boek is de stof van de periode over 1800-1900 behandeld, maar veel minder uitgebreid dan in het eerste boek het geval is. Ook de manier waarop is anders: dit is duidelijk voor een groter publiek geschreven. De stof in het eerste boek is veel uitgebreider, en droger zo je wilt, en hoewel ik in dat oordeel heb lopen klagen over enkele zaken die ontbraken, is de periode in dit boek helemaal beperkt tot een paar anekdotes, en de stof springt van de hak naar de tak, zoals onder andere te zien is in het hoofdstuk over het culturele leven. De schrijvers springen over van de bouw van het gemeente museum naar de schrijvers die de stad hebben bewoond, en dan opeens naar het balletgenootschap dat in Den Haag vertoefde.
    Het vorige boek mocht dan geen pretje zijn te lezen, dit boek is een crime om een samenvatting over te schrijven die vloeiend loopt, waarin ik dan ook jammerlijk heb gefaald.
    De titel van het boek vindt ik ook misplaatst: voor een titel die zegt dat het 750 jaar behandeld, vindt ik dat het over bepaalde periodes veel te weinig te zeggen heeft. Sterker nog: sommige hoofdstukken wisten de betekenis van het woord 'nietszeggend' tot in het belachelijke door te trekken. Ik begrijp dat als je 750 jaar wil behandelen in 379 pagina's je bepaalde periodes wat minder uitvoerig moet beschrijven, maar als ik dit boek lees, bekruipt mij meer het gevoel dat ze er dan maar beter helemaal niet aan hadden moeten beginnen.
    Het is een aardig boek om eens een keer door te nemen als je enigszins geinteresseerd bent in Den Haag, dat wel, maar dan ook echt niet meer dan dat. Het is meer een veredeld plaatjesboek dan een naslagwerk, het boek kan weinig meer doen dan lagere- school- weetjes wat uitgebreider neerzetten. Het enigste echt interessante aan dit boek waren de kleine blauw omrande anekdotes over kleine gebeurtenissen in Den Haag.
    Maar goed, mijn uiteindelijke oordeel is dat het niet geheel en al bagger is, er zitten wel een paar aardige stukjes in.
    Hoofdstuk 3:
    verhalen van een Haags verleden

    auteurs: Lex Dalen Gillhuys & Danny Verbaan
    uitgeverij: BZZTôH, cop. 1991
    160 pagina's


    3.1: informatie over de schrijvers

    De twee schrijvers hadden een tijd terug een rubriek in de Haagsche Courant, waarin ze elke week een artikel weidden aan een persoon of een gebeurtenis wat met Den Haag te maken heeft. 40 van deze artikelen hebben ze gebundeld in dit boek. Een van de twee schrijvers, Lex van Dalen Gilhuys, heeft al eerder boeken geschreven, onder andere 'Haegsche dingen die verdwenen', 'Haegsche mensen en dingen van toen' en 'de grote branden van Den Haag'. In dit boek geven de schrijvers allerlei grappige anekdoten weer uit de Haagse geschiedenis.

    3.2: vergelijking van het boek met de andere boeken

    De eerste 11 hoofdstukken sla ik over, omdat die van geen belang zijn voor deze scriptie. De overige hoofdstukken zal ik niet te uitgebreid behandelen, ik zal enkelt dit boek proberen te vergelijken met de andere boeken, en verschillen uitwerken.
    Het boek werkt niet, in tegenstelling tot de andere twee, in hoofdstukken die allemaal een bepaald aspect van de Haagse samenleving van het begin van een periode tot aan het eind van de periode belichten. In plaats daarvan is het boek geheel chronologisch, en behandelt het afzonderlijke personen en gebeurtenissen. Het is veel persoonlijker, en op kleinere schaal geschreven.
    Het boek behandelt de bezoeken van personen naar Den Haag, en gaven dan een achtergrond van het leven van die persoon. Dit dwaalt soms een beetje af: ze hebben het in een zin over het bezoek van Pichegru aan Den Haag, en weidden dan de rest van het stuk over hem aan zijn leven. Onder de andere personen die zijn beschreven zijn Napoleon Bonaparte, Voltaire, Andersen, Casanova, Mozart, Churchill, Anna Pavlovna, en de violist Coret.
    De gebeurtenissen, en beschrijvingen van zaken zijn vaak terug te vinden in de andere twee boeken, al worden ze dan met een enkel woord genoemd.
    Om een voorbeeld te noemen: beide boeken hebben het over de nijverheid, en in de opsomming van bedrijven staat dan de ZHB, de Zuid Hollandse Bierbrouwerij. In dit boek geeft de schrijver een gedetailleerde beschrijving van die onderneming, en de vele branden die het bedrijf teisterden.
    De overige gebeurtenissen zijn onder andere het bekleden van de Haagse straten met hout, wat leidde tot allerlei struikelpartijen van mensen en paarden. Ook de oefening van een black-out vlak voor de tweede wereldoorlog wordt besproken, waarbij iemand de plomp in viel, en een ander niet mee wou doen, en uit protest al zijn lichten aandeed, met de ramen wagenwijd open. En de langste straat ter wereld, de laan van Meerdervoort, werd ook behandeld. En het boek eindigt met de perikelen rond de bouw van het stadhuis aan de burgemeester De Monchy laan, wat, toen het er na jaren eindelijk kwam, binnen de kortst mogelijke tijd opnieuw vervangen werd. Dit alles wordt beschreven met een vleugje cynisme. Een goed voorbeeld hiervan is in dit laatste hoofdstuk, toen ze vermeldden dat het stadhuis zou worden gebouwd met staal van Krupp. maar: "De Duitse overval zou voor zeven jaar vertraging zorgen. Mede dankzij het staal van Krupp."


    Duinzigt Wonen BV - Zeestraat 48 - 2518 AB, DEN HAAG
    tel: +31 (0)70-3606365 - fax:+31 (0)70-3642808